Het laatst der dagen – deel 2

De eindtijd in Jesaja 2

Vervolg van deel 1

Laatste update 06-01-2021.

Inleiding

In het eerste deel van deze serie hebben we gezien dat achariet hajamiem (אַחֲרִית הַיָּמִים = het laatst der dagen) 13 maal in het Eerste Testament voorkomt, waaronder viermaal in de Tora (Genesis 49:1; Numeri 24:14; Deuteronomium 4:30, 31:29).

Volgens deze Bijbelgedeelten zullen in de eindtijd verschillende gebeurtenissen plaatsvinden; Israël zal afwijken van Gods wegen (Deut. 31:30), maar zich later bekeren (Deut. 4:29) en de Messias zal in het laatst der dagen verschijnen (Gen. 49:10; Num. 24:17).

De eerstvolgende keer dat er weer expliciet over het laatst der dagen wordt gesproken is door de profeet Jesaja. Hij trad op van ongeveer 740 tot 680 voor Christus. Dat is na de wegvoering van de 10 noordelijk stammen van Israël door de Assyriërs in 722 v.Chr. en voor de Babylonische ballingschap in 597 v.Chr. waarin Juda werd weggevoerd.
De profetieën in het boek Jesaja strekken zich uit van de tijd waarin de profeet leefde, de val van Juda, de komst van de Messias, tot de tijd van een nieuwe hemel en aarde (Jesaja 65:17, 66:22).

De profetieën in Jesaja, in het bijzonder de profetieën over Sion, zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de christelijke visie op het koninkrijk van God en de heerschappij van de Here Jezus als Koning Messias (Jesaja 2:4, 9:6-7, 11:3-5, 16:5).

Boodschap van verlossing

We vinden bij Jesaja een aantal basisthema’s en motieven die verband houden met de heilstheologie die we ook bij andere profeten vinden.
De voornaamste onderdelen van de boodschap van verlossing zijn:

  1. de terugkeer van Israël uit ballingschap;
  2. de verschijning van een volmaakte Davidische heerser die het vorstenhuis zal herstellen;
  3. de herbouw van Jeruzalem en de tempel;
  4. de toekomstige zegen en voorspoed van Israël;
  5. deze zegen en voorspoed van Israël zal de heidenvolken ertoe bewegen zich aan Israëls God te onderwerpen.

Joodse eschatologie

Bovengenoemde thema’s vinden we ook terug in Joodse geschriften uit de dagen van Jezus en de eerste eeuwen daarna. Daarbij vormt Jesaja, samen met Ezechiël, Daniël en Zacharia, het belangrijkste uitgangspunt voor de Joodse eschatologie (de leer van de laatste dingen).

Enkele elementaire aspecten van de Joodse eschatologie (niet in specifieke volgorde):

  • de komst van Armillus (אַרְמִילוּס) ook wel Armelius genoemd, de Anti-Messias, die Jeruzalem zal veroveren en de Joden zal verdrukken. Hij zal door de Messias worden gedood (Jesaja 11:4b; Daniël 7:21,25, 8:24, vgl. 2Thes. 2:3,8);
  • de oorlog van Gog (Ezech. 38-39, vgl. Openbaring 20:8);
  • de (barens)weeën van de Messias die in het Hebreeuws Chawelé haMasjiach (חֶבְלֵי מָשִׁיחַ) worden genoemd. Het is een aanduiding die de Talmoed gebruikt voor de kwellingen die zullen plaatsvinden in de periode vóór de komst van de Messias (vgl. Mattheüs 24:8 waar Jezus ook van weeën spreekt);
  • de komst van Eliejahoe HaNavie (בִּיאַת אֵלִיָּהוּ) de profeet Elia (Maleachi 4:5). Jezus zegt dat Johannes de Doper als Elia is gekomen, maar ook dat Elia later nog zal komen (Markus 9:4, 12-13, vgl. Johannes 1:19-23);
  • de komst van de Koninklijke Messias op de wolken (Daniël 7:13) in het Hebreeuws Biat (ha)Melech haMasjiach (בִּיאַת הַמֶּלֶךְ הַמָּשִׁיחַ) (vgl. Markus 13:26, 14:61; Lukas 21:27; Openbaring 1:7);
  • de Messias zal plaatsnemen op de troon van David (Jesaja 9:6-7; Jeremia 23:5, 30:9; Ezechiël 34:23-24, 37:24; Hosea 3:5, vgl. Lukas 1:32);
  • de dagen van de heerschappij van de Messias (Jemot haMashiach יְמוֹת הַמָּשִׁיחַ) in de komende wereld (olam haba עוֹלָם הַבָּא). In die tijd zal de Messias vanuit Jeruzalem zal regeren (Jesaja 2:4, 11:6-9, vgl. Openbaring 20:4,5);
  • de Israëlieten zullen terugkomen naar hun thuisland (Jesaja 11:12, 43:5-7);
  • het land en de verwoeste steden van Israël worden hersteld (Jesaja 62:4; Ezechiël 16:55);
  • het dorre land wordt overvloedig en vruchtbaar (Jesaja 51:3; Amos 9:13-15,
    Ezechiël 36:29-30; Jesaja 11:6-9);
  • de leiders van andere landen zullen door Hem worden geleid (Jesaja 2:4);
  • de hele wereld zal de Ene God van Israël aanbidden (Jesaja 2:17, 66:22-23);
  • wapens zullen worden vernietigd (Jesaja 2:4; Ezechiël 39:9; Hosea 2:17-18; Micha 4:3);
  • de tempel wordt herbouwd (Ezechiël 40);
  • de doden zullen opstaan (T’chiat hametiem – תְּחִיַּת הַמֵּתִים) ​​(Jesaja 26:19, Daniël 12:2, vgl. Mattheüs 25:46; Johannes 5:28-29, 11:24; Handelingen 24:15; 1Kor. 15:20-28; Openbaring 20:6-15);
  • de dood zal voor altijd worden verzwolgen (Jesaja 25:8, vgl. 1Kor. 15:26,54, Openbaring 20:14, 21:4).

Evenals bij christenen loopt de Bijbelinterpretatie bij Joden nogal uiteen. Orthodoxe Joden verwachten een letterlijke vervulling van deze teksten. Maar er zijn Joden die slechts een deel van deze dingen letterlijk interpreteren, zoals de belangrijke Joodse geleerde Maimonides (de Rambam). Hij geloofde in de komst van een Messias, maar meende dat verschillende Bijbelgedeelten over de eindtijd overdrachtelijk waren bedoeld. Liberale Joden, die niet in de goddelijke inspiratie van Tenach geloven, nemen deze dingen in het geheel niet letterlijk.

Hoewel de Joodse toekomstverwachting zeer veel overeenkomsten vertoont met de christelijke eschatologie, zijn er ook belangrijke verschillen, zoals de visie op de Messias. We zullen daar later op terugkomen. Daarom dienen voor Messiaanse gelovigen niet de commentaren van invloedrijke rabbijnen doorslaggevend te zijn, maar de wijze waarop Tenach in het Nieuwe Testament door de Here Jezus en de apostelen wordt uitgelegd en toegepast.

 

Achariet hajamiem אַחֲרִית הַיָּמִים

Hoewel Jesaja veel over de eindtijd profeteert, komt de term achariet hajamiem slechts eenmaal in het boek voor. Het betreft een bijzondere eindtijdprofetie over Jeruzalem, de berg Sion, Gods Huis en de Tora (Gods onderricht) vanuit Jeruzalem.

Het zal in het laatste der dagen geschieden dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen. Vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen, en zullen wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet (Hebreeuws: Tora) uitgaan, en het woord van de HEERE uit Jeruzalem. (Jesaja 2:2-3).

De rebellie van Juda in Jesaja 1 en 2

Deze bijzondere belofte bevindt zich te midden van verzen die over de zonden van Juda spreken. In de eerste 12 hoofdstukken van het boek Jesaja staan Juda (het Zuidrijk) en Jeruzalem staan centraal (zie Jesaja 1:1). Het gedeelte uit Jesaja 2:2-3 volgt onmiddellijk op de ernstige vermanende woorden uit het eerste hoofdstuk.
In Jesaja 1:2 wordt Gods boodschap verkondigd aan de hemel en de aarde. Daarmee wordt een verbinding gelegd met profetieën in Deuteronomium, waarin de Here God de hemel en aarde aanroept als getuigen, zoals in Deuteronomium 31:28-29 (vgl. Deuteronomium 4:26, 31:28 en 32:1).

Het eerste hoofdstuk van Jesaja vangt aan met het benoemen van de rebellie en de vreselijke zonden van Israël. De Here God herinnert zijn volk eraan dat Hij ze als Zijn kinderen heeft grootgebracht, maar dat ze tegen Hem zijn opgestaan (Jesaja 1:2). Israël, Gods zoon (vgl. Exodus 4:23, Hosea 11:1) staat op tegen de Vader. Volgens de Tora moest een rebellerende, ongehoorzame zoon, die zelfs nadat zijn ouders hem gestraft hebben, zich niet bekeert, naar de oudsten worden gebracht die hem ter dood moesten brengen (Deuteronomium 21:18-21). Het is dus zeer ernstig dat Israël zich als een opstandige zoon tegenover de hemelse Vader gedraagt.

De gevolgen van Israëls ongehoorzaamheid worden in het eerste hoofdstuk opgesomd; vreemdelingen vernietigden het land en verbrandden de steden en velen verloren daarbij het leven. Dat was vooral tijdens de regering van de slechte koning Achaz, de koning van Juda. In die tijd werden ze onder meer aangevallen en geplunderd door Syrië, Edom, de Filistijnen en Assyrië (2 Kronieken 28).

In vers 9 en 10 wordt volk wordt eraan herinnerd dat ze het louter aan de Here God hebben te danken dat er enkelen aan Zijn oordeel zijn ontkomen. Anders was het met hen op dezelfde manier afgelopen als met Sodom en Gomorra.

De verzen 21 tot 31 zijn speciaal gericht aan de corrupte leiders en rechters van in de stad Jeruzalem. Israël doet echter of er helemaal niets mis is en gaat gewoon door met alle samenkomsten en feestdagen en het brengen van zinloze offers (Jesaja 1:11-15). De Here kan deze schijnheilige offers niet uitstaan; Hij verlangt naar bekering (Jesaja 1:16-17,27). Bidden heeft ook geen zin, wanneer het niet met bekering gepaard gaat. Dan verbergt God Zijn ogen wanneer zij hun handen naar Hem uitstrekken (Jesaja 1:15 1) zoals Hij had voorzegd in Deuteronomium 31:17-20.

De Here God biedt Israël echter een mogelijkheid tot herstel.

Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken (sjani), ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn (tola), ze zullen worden als witte wol. Als u gewillig bent en luistert, zult u het goede van het land eten, maar als u weigert en ongehoorzaam bent, zult u door het zwaard gegeten (verteerd) worden; want de mond van de HEERE heeft gesproken. (Jesaja 1:18-20).

Israël had bebloede zondige handen (vers 15). De bloedrode kleur is een beeld van de zonde. Dit wordt in de Bijbel voorgesteld door twee rode kleurstoffen die zeer kleurvast zijn en vrijwel onuitwasbaar; sjani/sjaniem (שָׁנִי = scharlaken) en tola (תּוֹלָע = karmozijn/purper)2.

Het eerste hoofdstuk van Jesaja wordt afgesloten met het benoemen van de zonden van Jeruzalem en haar vorsten, en het oordeel dat daarop zal volgen. Vanwege de vele afgoderij (overspel met afgoden) wordt Jeruzalem zelfs een hoer genoemd (Jesaja 1:21).

Jesaja 1 wordt jaarlijks in de synagoge wordt gelezen als Haftara (Profetenlezing) tijdens de drie weken van rouw over de val van Jeruzalem, tussen het vasten van 17 Tammoez en 9 Av3.

De toekomst in Jesaja 2

In de eerste 5 verzen van hoofdstuk 2 schouwt Jesaja de verre toekomst van Jeruzalem. In het Hebreeuws staat letterlijk dat Jesaja het woord van God zag4. Je zou kunnen zeggen dat de profeten de toekomst als een soort schilderij waarnemen. Daarop staan allerlei gebeurtenissen naast elkaar, maar ook verleden, heden en toekomst zonder scherpe overgangen. De profeet beschrijft dat schilderij daarom veelal zonder specifieke tijdsaanduidingen of een bepaalde volgorde5. Het is daarom belangrijk om er rekening mee te houden dat profetieën en profetische boeken in hun geheel vaak niet chronologisch zijn opgebouwd. Ze geven hoofdzakelijk grote lijnen weer. Soms worden verschillende perioden in de wereldgeschiedenis in een adem genoemd, zoals: de eerste en tweede komst, de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen, het nieuwe Jeruzalem en de nieuwe hemel en aarde. Dat komt doordat de profeet soms alleen de bergtoppen ziet en niet de gebeurtenissen die zich in de diepe valleien daartussen bevinden.

In achariet hajamiem zal Jeruzalem een plaats worden waar Israël en de volken samen de God van Israël zullen vereren. Een boodschap die in schril contrast staat met de profetie over Jeruzalem in het eerste hoofdstuk.

Het is kenmerkend voor Jesaja dat de boodschap van zonde en oordeel wordt gevolgd door een boodschap van heil en herstel (bijv. Jes.4:2-6; 9:1-9; 11:1-16). Daarna volgen weer oordelen. We zien dat eveneens in hoofdstuk 2:6-22 waarin gesproken wordt over de dag van de HEERE als oordeelsdag. Daarmee staat het vredesvisioen centraal in de woorden van oordeel in Jesaja 1 en 2:6-22.

Kenmerk van profetische openbaring

Een typisch kenmerken van Bijbelse profetie is dat er geen sprake is van chronologische opbouw. Als lezer dienen we daar voortdurend rekening mee te houden. Niet alleen wisselen oordeel en verlossing elkaar regelmatig af, hetzelfde geldt voor heden en toekomst. Dat zien we ook in de eerste verzen van Jesaja 2, waarin we opeens een inkijk krijgen in de verre toekomst van Israël. Dit is een bijzondere eindtijd profetie over Jeruzalem, de berg Sion, Gods Huis en de Tora vanuit Jeruzalem.

Het zal in het laatste der dagen (be-achariet hajamiem בְּאַחֲרִית הַיָּמִים) geschieden dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan als de hoogste {of voornaamste} van de bergen {of het huis van de HEERE zal rotsvast worden gevestigd op de top van de bergen}, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen. Vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen, en zullen wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de Tora (= instructie, lering, wet) uitgaan, en het woord van de HEERE uit Jeruzalem. (Jesaja 2:2-3).

Vers 2 kan zowel letterlijk als overdrachtelijk worden geïnterpreteerd. Er wordt op de bergtoppen van Jeruzalem een huis voor God gebouwd dat boven alles uit zal steken. Maar in de context van vers 12-15 betekent het overdrachtelijk dat dit de machtigste en invloedrijkste plaats zal worden.

Deze indrukwekkende profetie van hoop is nog niet vervuld. Maar er komt een dag dat de tempelberg, waar vandaag de dag zoveel om is te doen, gegrondvest zal worden en een plaats zal worden waar alle volken heen zullen komen om de God van Israël te aanbidden. Daar zal God een feestmaal aanrichten, de bedekking van alle volken wegnemen, de dood vernietigen, alle tranen afwissen en de smaad van Israël wegnemen (Jesaja 25:6-9). Dan zal Jeruzalem de stad van Gods sjaloom (= heelheid, vrede, rust, voorspoed) zijn.
Hoewel de Bijbel niet ontkent dat er eerst zware tijden zullen komen, zullen er ongekende tijden van herstel en zegen aanbreken. We hoeven dus niet voor toekomst van Jeruzalem te vrezen.

Door de profeten te bestuderen leren we om verder te zien dan de tijd waarin we leven en krijgen we zicht op Gods eeuwige raadsbesluit. De apostel Petrus schrijft dat we er goed aan doen om acht te geven op Gods profetisch Woord, vooral in de moeilijke en verwarrende tijden waarin we leven. Onze leidraad is niet de tv of het internet waar zoveel nepnieuws wordt verspreid, waar maar Gods profetische Woord ‘dat schijnt als een lamp in een duistere plaats’ (2 Petrus 1:19).

Voetnoten

  • De Bijbelse manier van bidden is met uitgespreide handen (Exodus 9:29,33; 1 Koningen 8:54; 2 Kronieken 6:12,29). Paulus benadrukt dat we alleen reine handen naar God kunnen uitstrekken, zonder wrok of onenigheid (1 Timotheüs 2:8).
  • De sjani (שָׁנִי) en de tola (תּוֹלָע) waren kostbare kleurstoffen van dierlijke oorsprong. Deze werden door rijken gebruikt voor het kleuren van kleding. De rode kleurstof speelde onder meer een rol bij de reiniging van melaatsheid in Leviticus 14 en de reiniging van de dood in Numeri 19. We komen de sjani het ook tegen bij de rode draad in Genesis 38: 27-30 en het scharlaken koord in Jozua 2.
  • De 9e van de Joodse maand Av is de dag waarop de verwoesting van de eerste en tweede tempel in Jeruzalem wordt herdacht. Op deze dag wordt het boek Klaagliederen voorgelezen bij Kotel (de Westelijke Muur die vroeger Klaagmuur werd genoemd). Daarna lopen alle aanwezigen rondom de stadsmuren van de Oude Stad van Jeruzalem. Het is een indrukwekkende gebeurtenis om mee te maken.
  • In Jesaja 2:1 wordt in het Hebreeuws het werkwoord chaza/חָזָה (aanschouwen) gebruikt. Het zelfstandig naamwoord dat hiervan is afgeleid is chazon/חָזוֹן, een visioen, of goddelijke openbaring. We komen dit tegen in Jesaja 1:1. Volgens de rabbijnen is dit de diepste vorm van profetie.
  • Hierop zijn wel uitzonderingen, maar dat betreft vooral profetieën die de nabije toekomst betreffen of die specifieke gebeurtenissen in detail beschrijven.

Woordenlijst

  • Tenach / Tanach

    (תְּנַ״ךְ-תַּנַ״ךְ)

    De Hebreeuwse Bijbel of het Eerste Testament/Verbond. Vanaf de 2e eeuw door Christenen het Oude Testament genoemd, een naam die Joden liever niet gebruiken. Het woord TeNaCH is samengesteld uit de Hebreeuwse beginletters van de drie delen: Tora (T), Profeten (N) en Geschriften (CH).

    Zie deze pagina voor uitgebreidere informatie.

  • Tora / Torah / Thora

    (תורה)

    Aanduiding voor de 5 boeken (of de wet) van Mozes.

    Letterlijk: instructie. Tora is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord ‘jarah’ dat o.a. betekent: een doel raken, onderwijzen, maar ook regenen (Hosea 6:3). Het is een antoniem (tegenstelling) van het Hebreeuwse werkwoord ‘doel missen’ oftewel ‘zondigen’.
    Het woord Tora heeft een aantal verschillende betekenissen:

    1. Instructie, onderwijzing (spreuken 3:1).
    2. Een aanduiding voor de 5 boeken van Mozes, de Pentateuch. (Meestal vertaald met ‘Wet’ of ‘de Wet van Mozes’, zoals in Mattheüs 11:13: “al de Profeten en de Wet (= de Pentateuch) hebben geprofeteerd tot Johannes toe”.
    3. Soms een aanduiding voor het boek Deuteronomium (het boek der wet).
    4. Een boekrol met de 5 boeken van Mozes (sefer Tora).
    5. Het hele Eerste/Oude Testament (door Joden Tenach genoemd).
    6. De wet van Christus (1 Cor. 9:21, Gal. 6:2, Joh. 13:34,35)

    Naast de geschreven Tora kennen Joden de mondelinge Tora. Dat zijn de lessen en instructies die van vader op zoon zijn doorgegeven en die na de verwoesting van de tempel op schrift zijn gesteld in o.a. de Misjna.