Verbiedt de Bijbel bloedtransfusie?

Inleiding

In Handelingen 15 lezen we dat de apostelen tijdens het ‘apostelconvent’ bespreken welke delen van de Tora op de gelovigen uit de heidenen van toepassing zijn. In vers 20 vinden we een aantal voorschriften die op alle niet-Joden van toepassing zijn. Zo hebben zij zich onder meer te onthouden van ‘het verstikte’ en ‘van bloed’ (Handelingen 15:20,29 en 21:25).

Nu leeft bij velen de vraag wat er met deze twee dingen wordt bedoeld en of dit eveneens van toepassing is op bloedtransfusie.

Oorsprong van de geboden

De geboden in handelingen 15 zijn niet door de apostelen bedacht, maar waren algemeen bekende geboden die Joden hadden afgeleid uit Genesis 8 en 9. In Genesis 9:4-6 wordt aan alle nakomelingen van Noach een aantal geboden gegeven die door rabbijnen tegenwoordig ook wel ‘Noachitische Geboden’ worden genoemd, omdat ze niet uitsluitend voor het volk Israël gelden, maar voor alle volken die uit Noach zijn voort gekomen.

Het verstikte

Dieren moeten volgens de Bijbel zodanig worden gedood dat zij leegbloeden. In Genesis 9:4 [HSV] staat: “Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, er nog in mag u niet eten”.

De gangbare manier van slachten was (en is) dat men een dier laat leegbloeden (Deuteronomium 12:16). (Zo gebeurt het overigens in België en Nederland bij alle slagers – hoewel voor Joden nog extra slachtvoorschriften gelden.) Het verbod om bloed te nuttigen komen we regelmatig tegen in de Tora (Leviticus 3:17, 7:26 etc.). In Leviticus 17:10 en 12 staat dat het voor zowel Joden als voor buitenlanders, die onder hen wonen, verboden is om bloed te nuttigen. Hier staat het bovendien in een context van afgoderij (vergelijk Leviticus 19:26). Bij het brengen van offers aan afgoden werd vaak een beker bloed leeggedronken. Joodse geleerden, zoals Nachmanidesen Maimonides, spreken van de gewoonte van de Babyloniërs om grote hoeveelheden bloed te drinken om met demonen in contact te kunnen komen. Dit is mogelijk ook de achtergrond van 1 Corinthiërs 10:19-21.

Vlees met bloed erin werd verkregen door het dier bij het slachten niet leeg te laten bloeden, maar het bij de keel te omstrengelen, zodat het door verstikking stierf. Al het bloed bleef dan in het vlees aanwezig. Dit is de achtergrond van ‘het verstikte’ in Handelingen 15:20. Dit betekent dat het ook volgens het Nieuwe Testament niet is toegestaan om vlees met bloed erin te nuttigen1.

Bloedvergieten

In Genesis 9:6 staat[HSV]:“Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden; want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt”.Dit vers is de achtergrond van ‘het zich onthouden van bloed’ (Handelingen 15:20). Het is het verbod om op onwettige wijze opzettelijk het leven van een ander mens te beëindigen. Maar hieronder valt bijvoorbeeld niet het verdedigen van een land in geval van oorlog.

Bloedtransfusie

De teksten die spreken over het leven dat in het bloed is, gaan uitsluitend over het eten van het bloed van een gestorven dier en niet over het ontvangen van bloed van een levend medemens.

Wanneer de Bijbel dus spreekt over het zich onthouden van bloed (zoals in Handelingen 15:20) slaat dat uitsluitend op het eten (Hebreeuws: אכל/achal) van dierlijk bloed, maar nooit op het redden van een mensenleven door het toedienen van bloed van een ander mens.

Wanneer we de Toraverzen die over het eten van bloed van een dier spreken vergelijken met de verrichtingen die bij een bloedtransfusie plaatsvinden, dan vinden we duidelijk verschillen tussen deze twee handelingen.

bloed nuttigen

bloedtransfusie

1. Het bloed komt steeds van een dier2. Het bloed komt van een wezen dat dood is

3. Het bloed wordt gegeten en komt in de mond

4. De context van het bloed is vlees van het dier

5. De context is veelal afgoderij

6. Het leidt altijd tot de dood van een dier

1. Het bloed komt uitsluitend van een mens2. Het bloed komt van een levend wezen

3. Het bloed komt niet in de mond, maar in de bloedbaan

4. De context is het geven van een transfusie

5. De context is altijd het redden van een mensenleven

6. Het leidt tot het leven of herstel van een mens

Uit de bovenstaande voorbeelden blijkt dat er weinig overeenkomsten zijn tussen het geven van een bloedtransfusie en het eten van bloed.

De ziel is in het bloed

Sommige Bijbelvertalingen, waaronder de NBG-vertaling, spreken over ‘de ziel is in het bloed’ (zoals in Genesis 9:4 en Deuteronomium 12:23). Wanneer wij het woord ‘ziel’ gebruiken, dan gebruiken we dat meestal in de Griekse filosofische betekenis en niet in de Hebreeuwse betekenis. Het christendom van de eerste eeuwen werd al snel sterk beïnvloed door de Griekse filosofie. Dit liet zijn sporen na in het denken van invloedrijke kerkvaders zoals  Origenes en Augustinus. Bij de Griekse filosofen werd de ziel beschouwd als de zetel van het verstand en het gevoel. Het Hebreeuwse woord ziel (nefesj/נפש) betekent in de eerste plaats leven of levenskracht2. Het verwijst naar een levend wezen dat ademhaalt3. David verwijt Saul (in 1 Samuël 24) dat die erop uit is hem de ziel te ontnemen. Bedoelt wordt ‘zijn leven te nemen’. De Herziene Statenvertaling vertaalt de bovenstaande verzen met leven, zoals ook de meeste Engelse Bijbelvertalingen dan doen4.

De idee dat mensenbloed iemands persoonlijkheid of ziel  zou bevatten is nergens in de Hebreeuwse – of Griekse Bijbel terug te vinden, maar is afkomstig van het heidense Griekse denken.

De Joodse kijk op bloedtransfusie

Joden die de Hebreeuwse Bijbel al meer dan een millennium langer bestuderen dan christenen, zijn nooit tot de conclusie gekomen dat een bloedtransfusie niet zou zijn toegestaan, terwijl zij zich wel onthouden van het eten van bloed of van producten waar bloed aan is toegevoegd.

De reden waarom Joden niet tegen bloedtransfusie zijn vinden we in de context en de Hebreeuwse bewoordingen van de Bijbelteksten. De verzen over het eten van bloed staan in een context van het slachten van een dier en spreken expliciet over het ‘eten’ (אכל/achal) van het bloed van dat dier. Dit legt op geen enkele manier een verband met de levensreddende handeling d.m.v. een bloedtransfusie 5.

Wanneer een bloedtransfusie essentieel is om een leven te redden of in stand te houden is niet alleen toegestaan, maar zelfs verplicht om deze transfusie toe te dienen. Het is daarbij ook toegestaan om op de sjabbat te reizen om iemands leven te redden.

Bloed als symbool

Op het moment dat het mes in het levende dier wordt gezet en het begint leeg te bloeden, verlaat het leven (de levensadem) het dier. Hierdoor ontstaat een zichtbaar verband tussen bloed en leven. Bloed is daardoor het krachtigste symbool van leven. Het is dus niet toevallig dat het nemen van een leven in de Bijbel ‘bloedvergieten’ (letterlijk bloed uitstorten) wordt genoemd (Genesis 9:6).

Doordat het bloed zo nauw met het leven wordt verbonden is het eveneens een van de krachtigste symbolen voor het herstel van leven. Het is dus niet zonder reden dat juist bloed een belangrijke rol speelt bij de verzoening van zonden (Hebreeën 9:22).
Het bloed van het offerdier verwijst naar het Volmaakte Offer; Jezus, het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt (Johannes 1:29). Zijn bloed en lichaam vormen het volmaakte zoenoffer dat zondaars leven geeft (Romeinen 3:25).

Tot nagedachtenis aan Zijn offer wordt de Maaltijd des Heren gevierd waarbij de ‘vrucht van de wijnstok’ wordt gedronken6.  De beker die tijdens de Maaltijd des Heren wordt gedronken is het Nieuwe Verbond/Testament in het bloed van Jezus en de verkondiging van Zijn dood (Mattheüs 26:28, 1 Corinthiërs 11:25-29, Hebreeën 13:20). Hij is het volmaakte Lam Wiens bloed ons heeft vrijgekocht van onze zondige wandel (1 Petrus 1:18-21). Zijn bloed zorgt ervoor dat de Satan ons niet langer kan aanklagen (Openbaring 12:10-11).

Samenvatting

Volgens het Nieuwe Testament is het ook voor niet-Joden niet toegestaan om vlees met bloed te eten (zoals bij bloedworst het geval is). Eveneens is het niet toegestaan om bloed te vergieten.

Wanneer de Bijbel spreekt dat men zich moet onthouden van bloed (zoals in Handelingen 15:20) slaat dat uitsluitend op het eten van bloed dierlijk bloed, maar nooit op het redden van een mensenleven door het toedienen van bloed van een ander mens.

De teksten die spreken over het leven dat in het bloed is, gaan uitsluitend over het eten van het bloed van een gestorven dier en niet over het ontvangen van bloed van een levend medemens.

Hoewel er allerlei redenen kunnen worden bedacht om van een bloedtransfusie af te zien bestaat er hiervoor geen enkele Bijbelse basis.

Voetnoten

  • Met bloed wordt niet het vleesnat van biefstuk bedoeld, maar slachtbloed dat bewust aan de voeding wordt toegevoegd, zoals gebeurt bij de bereiding van bloedworst en soms bij balkenbrij.
  • Hoewel het Griekse woord ziel (psyché / ψυχή) oorspronkelijk levensadem, wind of lucht betekende, gaf de Griekse filosoof Plato een andere betekenis aan het woord ziel. Bij hem is de ziel het morele en intellectuele zelf. De ziel is bij hem en bij de neoplatonisten het redenerende en kennende deel van de mens en de zetel van de wil, de passie, en de verlangens en lusten.
    De kerkvader Augustinus, die in de 4e eeuw leefde, kende eveneens aan de ziel een persoonlijkheid toe. Een groot deel van het christelijke gedachtengoed stamt van deze theoloog en filosoof.
    Hebreeuwse woorden hebben veelal geen scherpe afgrenzingen en kunnen elkaar overlappen. Zo kan de geest of de ziel van een mens met de volgende Hebreeuwse woorden worden aangeduid, waaronder:  nefesj / נפש(dat levenskracht, rust en ziel betekent – het is afgeleid van het werkwoord blazen), nesjama / נשמה(dat adem en ziel betekent – het is afgeleid van het werkwoord ademen) en roeach / רוח (dat wind, adem en geest betekent – het is afgeleid van het werkwoord ruiken/opsnuiven).
    De context van de woorden nefesjnesjama en roeach bepaalt steeds of er met deze woorden de levensadem wordt bedoeld, of de zetel van het verstand, de wil, de verlangens en de emoties.
  • In de Hebreeuwse taal worden begrippen als, ademen, blazen en snuiven gezien als kenmerken van het leven, maar ze kunnen ook overdrachtelijk worden gebruikt. Ze krijgen dan de betekenis van emoties. Zo zegt de Here God in Jesaja 42:15 [NBG] “Ik zal snuiven (nasjam) en hijgen (sja’af) tegelijk”.
    Snuiven en hijgen staan hier in de context van een barende vrouw (zie vers 14). Snuiven betekent hier oordelen en hijgen betekent in dit vers vertrappen en verwoesten. Het werkwoord hijgen betekent, afhankelijk van de context,  vermorzelen (Psalm 56:1,2 en Ezechiël 36:3) of ergens naar snakken of verlangen (Psalm 119:131, Job 5;5 en 7:2).
    In de Nederlandse taal kennen we eveneens zulke voorbeelden. Zo zeggen we bijvoorbeeld dat iemand een lange adem heeft. Dat betekent dat hij niet gauw boos wordt. In het Hebreeuws wordt deze uitdrukking  ‘een lange neus’ hebben. We komen dit bijvoorbeeld letterlijk tegen in Exodus 34:6, waar het meestal met ‘lankmoedig’ wordt vertaald. Maar als Gods neus van ontbrandt, dan wordt hij toornig (zie bijvoorbeeld Numeri 12:9).
  • Hebreeuwse woorden hebben veelal geen scherpe afgrenzingen en kunnen elkaar overlappen. De context van het woord nefesj bepaalt steeds wat er wordt bedoeld. Wanneer het woord nefesj wordt gebruikt in de context van bloed, moet het niet met ziel, maar met leven of levensadem worden vertaald.
  • Wanneer het Hebreeuwse werkwoord ‘eten’ (אכל/achal) gebruikt wordt in relatie tot een mens, betekent het uitsluitend: eten of zich voeden. Het gaat dus niet over andere vormen van gebruik van bloed!
  • De ‘vrucht van de wijnstok’ wordt ook ‘druivenbloed’ genoemd (Genesis 49:11, Deuteronomium 32:14).

Woordenlijst

  • Tora / Torah / Thora

    (תורה)

    Aanduiding voor de 5 boeken (of de wet) van Mozes.

    Letterlijk: instructie. Tora is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord ‘jarah’ dat o.a. betekent: een doel raken, onderwijzen, maar ook regenen (Hosea 6:3). Het is een antoniem (tegenstelling) van het Hebreeuwse werkwoord ‘doel missen’ oftewel ‘zondigen’.
    Het woord Tora heeft een aantal verschillende betekenissen:

    1. Instructie, onderwijzing (spreuken 3:1).
    2. Een aanduiding voor de 5 boeken van Mozes, de Pentateuch. (Meestal vertaald met ‘Wet’ of ‘de Wet van Mozes’, zoals in Mattheüs 11:13: “al de Profeten en de Wet (= de Pentateuch) hebben geprofeteerd tot Johannes toe”.
    3. Soms een aanduiding voor het boek Deuteronomium (het boek der wet).
    4. Een boekrol met de 5 boeken van Mozes (sefer Tora).
    5. Het hele Eerste/Oude Testament (door Joden Tenach genoemd).
    6. De wet van Christus (1 Cor. 9:21, Gal. 6:2, Joh. 13:34,35)

    Naast de geschreven Tora kennen Joden de mondelinge Tora. Dat zijn de lessen en instructies die van vader op zoon zijn doorgegeven en die na de verwoesting van de tempel op schrift zijn gesteld in o.a. de Misjna.